← Terug naar de interactieve training

LESMATERIAAL · 60 SLIDES

Van idee naar heldere presentatie met AI

Alle lessen bij elkaar. Gebruik de afdrukfunctie van je browser om dit materiaal als PDF te bewaren. Antwoorden staan direct onder de opdrachten.

1 / 60 · Inzicht

Maak een presentatie waar iemand iets mee kan

Een goed idee verdient meer dan een reeks volle schermen. AI kan je helpen om mogelijkheden te verkennen, woorden te kiezen en je verhaal te oefenen. Jij bepaalt voor wie je spreekt en wat het gesprek moet opleveren.

Voor wie je hier bent

Je presenteert weleens een plan, geeft een korte toelichting of wilt collega’s meenemen in een voorstel. Je hoeft geen ontwerper te zijn. We beginnen met een kleine fictieve situatie en bouwen stap voor stap een presentatie van vijf slides.

Wat je straks hebt

Aan het einde heb je een verhaallijn, slideteksten, beeldkeuzes, spreeknotities en een repetitieplan. De zestig slides van deze training begeleiden je; het werkproduct dat jij maakt bevat vijf presentatieslides.

Zo kun je oefenen

Gebruik een bestaande toegestane AI-chat als je die hebt. Alles kan ook op papier met de voorbeeldantwoorden. Nieuwe accounts, betaalde functies en echte bedrijfsgegevens zijn niet nodig.

2 / 60 · Voorbeeld

Een klein voorstel voor een druk team

Stel je voor: je helpt de volledig fictieve Werkplaats Noord. Nieuwe vrijwilligers beginnen daar met een mondeling welkom. Je wilt het team laten bespreken of een eenvoudige startkaart het proberen waard is.

De situatie

Het team heeft zeven minuten voor jouw bijdrage. Je krijgt vijf minuten om te spreken; de laatste twee minuten zijn voor vragen. Je presenteert aan zes collega’s, niet aan een zaal met klanten.

Waarom dit een fijne oefencasus is

Het idee is klein genoeg om concreet te worden: één kaart, twee voorgestelde testochtenden en een besluitvraag. Je hoeft niemand te imponeren met een groot veranderverhaal. Je helpt het team een volgende stap afwegen.

3 / 60 · Aan de slag

Probeer drie manieren om te beginnen

Je wilt ervaren hoe AI meerdere invalshoeken kan voorstellen voordat je een definitieve opening kiest. Gebruik alleen de fictieve situatie uit de vorige slide.

Je helpt mij een korte presentatie te openen voor zes fictieve collega’s. Onderwerp: een startkaart voor nieuwe vrijwilligers uitproberen. Geef drie verschillende eerste zinnen: herkenbare situatie, direct voorstel en vraag aan het team. Verzin geen resultaten of feiten. Leg per zin uit welk gesprek die uitnodigt.

Opdracht: Maak drie openingszinnen: één met een herkenbare situatie, één met het voorstel en één met een vraag aan het team. Kies vervolgens welke jij zou gebruiken en leg uit waarom.

Voorbeeldantwoord

Situatie: “Een nieuwe vrijwilliger staat binnen en vraagt: waar begin ik?” Voorstel: “Ik wil een eenvoudige startkaart op twee ochtenden uitproberen.” Vraag: “Welke informatie willen we iedere nieuwe vrijwilliger meteen meegeven?”

Ik kies de voorstelzin voor dit korte teamoverleg: het publiek weet meteen waarover het gesprek gaat. De situatiezin kan daarna helpen om het idee tastbaar te maken. Andere keuzes kunnen ook werken; let erop dat een verzonnen voorbeeld herkenbaar als voorbeeld blijft en geen werkelijk incident wordt.

4 / 60 · Inzicht

Dit is het materiaal waar je op bouwt

De volgende bron is speciaal voor deze training bedacht. Hij geeft je genoeg informatie om keuzes te maken zonder echte organisatiegegevens te gebruiken. De labels B1 tot en met B7 helpen je later zinnen terug te vinden.

De beschikbare informatie

FICTIEVE BRON — WERKPLAATS NOORD, versie 1 B1: In het teamoverleg is zeven minuten beschikbaar: vijf minuten presenteren en twee minuten vragen. Er zijn zes collega’s aanwezig. B2: Bij tien starts van nieuwe vrijwilligers in oktober 2026 is genoteerd: zeven keer een vraag over waar materiaal ligt en vijf keer een vraag over de eerste taak. Eén start kan in beide categorieën vallen; de overlap is niet vastgelegd. B3: Een coördinator geeft nu een mondeling welkom. Er is nog geen gezamenlijke startkaart. Er zijn geen gegevens over tevredenheid, tijdverlies of het effect van een kaart. B4: Het voorstel is één startkaart te testen op de ochtenden van 5 en 12 november 2026. Dit is nog niet goedgekeurd. De eigenaar en het evaluatiemoment zijn nog niet afgesproken. B5: Voor de oefenkaart is alleen deze praktische informatie bevestigd: algemeen materiaal ligt in kast B; de coördinator van die ochtend vertelt welke eerste taak iemand krijgt. De kaart wijst naar die coördinator en bedenkt geen taak. B6: Voorgestelde evaluatie: na een start navragen of iemand materiaal kon vinden en wist aan wie een taakvraag gesteld kon worden. Noteer alleen aantallen en opmerkingen zonder namen. Deze aanpak is nog een voorstel; aantallen, uitkomst en benodigde werktijd zijn onbekend. B7: De presentatie vraagt om een besluit over deze kleine proef, een eigenaar voor de voorbereiding en een evaluatieafspraak. Er wordt niet gevraagd om meteen overal een kaart in te voeren.

Wat de bron wel en niet is

Deze gegevens zijn oefenmateriaal, geen onderzoek naar echte vrijwilligers. Een voorgesteld plan is nog geen genomen besluit. Houd de bron naast je werkstuk; je hoeft hem niet uit je hoofd te leren.

FICTIEVE BRON — WERKPLAATS NOORD, versie 1
B1: In het teamoverleg is zeven minuten beschikbaar: vijf minuten presenteren en twee minuten vragen. Er zijn zes collega’s aanwezig.
B2: Bij tien starts van nieuwe vrijwilligers in oktober 2026 is genoteerd: zeven keer een vraag over waar materiaal ligt en vijf keer een vraag over de eerste taak. Eén start kan in beide categorieën vallen; de overlap is niet vastgelegd.
B3: Een coördinator geeft nu een mondeling welkom. Er is nog geen gezamenlijke startkaart. Er zijn geen gegevens over tevredenheid, tijdverlies of het effect van een kaart.
B4: Het voorstel is één startkaart te testen op de ochtenden van 5 en 12 november 2026. Dit is nog niet goedgekeurd. De eigenaar en het evaluatiemoment zijn nog niet afgesproken.
B5: Voor de oefenkaart is alleen deze praktische informatie bevestigd: algemeen materiaal ligt in kast B; de coördinator van die ochtend vertelt welke eerste taak iemand krijgt. De kaart wijst naar die coördinator en bedenkt geen taak.
B6: Voorgestelde evaluatie: na een start navragen of iemand materiaal kon vinden en wist aan wie een taakvraag gesteld kon worden. Noteer alleen aantallen en opmerkingen zonder namen. Deze aanpak is nog een voorstel; aantallen, uitkomst en benodigde werktijd zijn onbekend.
B7: De presentatie vraagt om een besluit over deze kleine proef, een eigenaar voor de voorbereiding en een evaluatieafspraak. Er wordt niet gevraagd om meteen overal een kaart in te voeren.

5 / 60 · Aan de slag

Maak van een onderwerp een resultaat

“Startkaarten” is een onderwerp, maar vertelt nog niet wat de luisteraars na jouw bijdrage moeten doen. Met een duidelijk doel wordt het eenvoudiger om informatie te kiezen.

Opdracht: Schrijf een presentatiedoel voor Werkplaats Noord met drie onderdelen: wie luistert, wat moet die groep begrijpen en welke vervolgstap vraag je? Gebruik B1 en B7.

Voorbeeldantwoord

Ik presenteer aan de zes collega’s in het teamoverleg. Na vijf minuten moeten zij begrijpen wat de voorgestelde startkaart doet, waarom we die klein willen testen en welke vragen nog openstaan. Ik vraag of het team de proef wil laten voorbereiden en, bij akkoord, wie eigenaar wordt en wanneer we evalueren.

Dit doel vraagt geen onmiddellijke invoering. Het is ook geen belofte dat iedereen instemt. Je maakt zichtbaar waarop het gesprek gericht is en welke afspraak je aan het einde nodig hebt.

6 / 60 · Voorbeeld

Een chat kan meer maken dan een stapel bullets

Je hebt een idee en een bron. Je kunt AI nu verschillende kleine opdrachten geven. Dat helpt je beter kiezen dan meteen “maak een mooie presentatie” vragen.

Drie bruikbare tussenproducten

1. Een lijst met vragen die het publiek waarschijnlijk heeft. 2. Drie mogelijke verhaallijnen met een korte reden voor de volgorde. 3. Spreeknotities bij één slide, in gewone gesproken taal.

Begin bij de denkstap

Een vormgevingstool kan later helpen met de visuele uitwerking. Eerst wil je weten welk verhaal je vertelt. Een mooi bestand lost een onduidelijke besluitvraag niet vanzelf op.

7 / 60 · Aan de slag

Vraag om hulp op de plek waar je vastloopt

Je hebt nog geen volgorde gekozen. Je twijfelt of je moet starten met de cijfers, het voorstel of een herkenbare situatie.

Opdracht: Schrijf een AI-opdracht die jou helpt een volgorde te kiezen, zonder al volledige slides te laten maken. Noem het publiek, de vijf minuten spreektijd en de bron.

Voorbeeldantwoord

“Gebruik de fictieve bron B1–B7 hieronder. Ik spreek vijf minuten tegen zes collega’s; daarna zijn twee minuten voor vragen. Mijn doel is een besluit over een kleine startkaartproef en afspraken over eigenaar en evaluatie. Stel drie verhaallijnen van vijf stappen voor. Leg per volgorde uit wat de luisteraar eerst nodig heeft. Maak nog geen slideteksten en verzin geen effecten. [Plak B1–B7.]”

Waarom dit helpt: de opdracht ondersteunt precies de keuze waar je nu mee bezig bent. Je kunt de volgorden vergelijken voordat je tijd steekt in formulering of opmaak.

8 / 60 · Inzicht

Werk van bedoeling naar spreekmoment

Je hoeft niet alle keuzes tegelijk te maken. Een vaste route helpt je om steeds één vraag te beantwoorden en daarna een stap verder te gaan.

Eerst het verhaal

Bepaal publiek en doel. Formuleer daarna je kernboodschap: de belangrijkste gedachte die je wilt overbrengen. Kies vervolgens een volgorde waarin de luisteraar die gedachte kan volgen.

Daarna het werkstuk

Maak per stap een slidekern en een mondelinge toelichting. Oefen hardop en controleer waar je vastloopt. Pas dan merk je of de tekst prettig uit te spreken is en binnen de beschikbare tijd past.

Begin met je publiek en de gewenste keuze. In de fictieve startkaartcasus volgen vijf slides: voorstel, aanleiding, aanpak, proef en keuze. Zet de kern op de slide en de toelichting in sprekernotities. Oefen vijf minuten verhaal hardop en houd twee minuten vragen apart; de proef is nog geen bewezen resultaat.

9 / 60 · Aan de slag

Kies een presentatie die jij echt herkent

Je hebt de werkwijze gezien. Kies nu alvast een eigen type presentatie, zonder vertrouwelijke inhoud te delen. Je kunt gedurende de training steeds terugdenken aan dat moment.

Opdracht: Beschrijf in drie zinnen een fictieve of algemene presentatie uit jouw werk: de luisteraars, het onderwerp en de gewenste vervolgstap. Maak de stap klein genoeg voor vijf minuten.

Voorbeeldantwoord

Voorbeeld: “Ik leg aan drie collega’s uit hoe een nieuw overdrachtsformulier eruit zou kunnen zien. Ik wil laten zien welke informatie het formulier zichtbaar maakt, niet bewijzen dat het al beter werkt. Ik vraag of we één fictief voorbeeld samen willen invullen en daarna bepalen wat ontbreekt.”

Dit is klein en toetsbaar. “Iedereen enthousiast maken voor verandering” is minder bruikbaar: je weet dan niet welke afspraak de presentatie moet opleveren. Je hoeft jouw voorbeeld nog niet uit te werken; het is een eigen oefenanker.

10 / 60 · Kennischeck

Wanneer helpt AI je echt vooruit?

Je hebt genoeg informatie om met je presentatie te beginnen, maar nog geen duidelijke volgorde.

Welke opdracht sluit het best aan bij je volgende stap?

  1. Maak twintig indrukwekkende slides en verzin sterke cijfers.
  2. Vergelijk drie mogelijke verhaallijnen voor dit publiek en dit doel op basis van de bron.
  3. Kies eerst het duurste presentatiesjabloon.

Antwoord: B. Een verhaallijn helpt je de inhoudelijke keuze maken die nu nodig is. Vormgeving komt later. Meer slides of indrukwekkende cijfers maken een onduidelijk doel niet duidelijker.

11 / 60 · Inzicht

Denk vanuit wat de luisteraar nodig heeft

Een presentatie voor collega’s is geen algemene encyclopedie over je onderwerp. Je kiest informatie waarmee juist deze groep kan meedenken.

Drie nuttige publieksvragen

Wat weten de luisteraars al? Welke vraag moeten zij beantwoorden? Welke twijfel kan hen tegenhouden? Noteer wat je weet en label de rest als vermoeden.

Niet doen alsof je gedachten kunt lezen

Voor Werkplaats Noord weten we dat zes collega’s luisteren. We weten niet dat zij enthousiast of afwijzend zijn. Je kunt mogelijke zorgen voorbereiden, maar presenteer die niet als vaststaande opvattingen van het team.

12 / 60 · Voorbeeld

Maak een kleine publiekskaart

Een publiekskaart is een korte voorbereiding voor jezelf. Hij helpt voorkomen dat je vooral vertelt wat jij interessant vindt.

Voorbeeld voor Werkplaats Noord

Bekend: zes collega’s; zeven minuten totaal; zij bespreken de startkaartproef. Nodig voor het gesprek: aanleiding, inhoud van de kaart, begrenzing van de proef en gevraagde afspraak. Mogelijke vragen: wie maakt de kaart, hoeveel werk kost het en hoe merken we of iets ontbreekt?

Wat nog een aanname is

De bron geeft geen beschikbare werktijd en geen meningen van collega’s. Een goede publiekskaart schrijft daarom “mogelijke vraag”, niet “het team vindt dit te veel werk”.

13 / 60 · Aan de slag

Scheid bekende informatie van vermoedens

Je collega schrijft: “Het team wil minder uitleg geven en zal blij zijn met onze kaart.” Dat klinkt logisch, maar staat niet in de bron.

Opdracht: Maak een publiekskaart met twee bekende feiten, twee mogelijke vragen en één aanname die je bewust niet als feit gebruikt.

Voorbeeldantwoord

Bekend: er zijn zes collega’s aanwezig; de totale bijdrage duurt zeven minuten, waarvan vijf voor de presentatie (B1). Mogelijke vragen: “Wie bereidt de kaart voor?” en “Hoe beoordelen we na de proef of de kaart helpt?” Niet als feit gebruiken: “Iedereen wil minder mondeling uitleggen.” Dat is niet vastgelegd.

Je kunt de presentatie voorbereiden op zulke vragen zonder het publiek een mening toe te schrijven. Dat maakt je verhaal relevanter én eerlijker.

14 / 60 · Inzicht

Een doel is niet hetzelfde als een kernboodschap

Je doel beschrijft wat je met het gesprek wilt bereiken. Je kernboodschap beschrijft de belangrijkste inhoud die de luisteraar moet meenemen.

Het verschil in deze casus

Doel: het team laten besluiten over een kleine proef en vervolgafspraken. Kernboodschap: een beperkte startkaartproef kan ons laten ontdekken welke startinformatie bruikbaar is; het effect moeten we nog beoordelen.

Waarom één zin helpt

Met een kernzin kun je later iedere slide toetsen. Draagt deze slide bij aan die gedachte? Zo niet, dan hoort de informatie misschien in een bijlage of in een ander gesprek.

15 / 60 · Aan de slag

Schrijf een kernzin zonder succesbelofte

Je wilt een uitnodigende kernboodschap. Die moet nieuwsgierig maken, maar mag niet doen alsof de proef al resultaten heeft opgeleverd.

Opdracht: Herschrijf: “Met een startkaart lossen we alle startproblemen op en besparen we veel tijd.” Gebruik het voorstel en de onzekerheid uit B3–B7.

Voorbeeldantwoord

“Laten we een startkaart op twee ochtenden testen om te ontdekken welke praktische startinformatie helpt en wat nog ontbreekt.”

De zin noemt de kleine schaal en het leerdoel. “Helpt” staat hier als iets dat we willen onderzoeken, niet als bewezen resultaat. Je kunt toevoegen: “Daarvoor moeten we een eigenaar en evaluatieafspraak kiezen.” Vermijd “alle problemen” en “veel tijd besparen”: de bron bevat daarvoor geen gegevens.

16 / 60 · Voorbeeld

Vraag iets waarop het team kan reageren

Een slotzin als “Zijn er nog vragen?” opent het gesprek, maar maakt niet duidelijk welke afspraak jij nodig hebt. Een besluitvraag helpt het publiek kiezen.

Van vaag naar concreet

Vaag: “Wat vinden jullie hiervan?” Concreter: “Willen we deze startkaartproef op twee ochtenden laten voorbereiden? Zo ja: wie wordt eigenaar en wanneer bespreken we de uitkomsten?”

Ruimte voor een ander antwoord

De groep mag ook nog informatie nodig hebben of niet akkoord gaan. Een goede besluitvraag maakt dat bespreekbaar. Het is geen truc om een vooraf bepaalde uitkomst af te dwingen.

17 / 60 · Aan de slag

Maak het einde alvast duidelijk

Ontwerp het slot voordat je alle tussenliggende slides schrijft. Zo weet je waar het verhaal naartoe moet.

Opdracht: Schrijf een slot met één besluitvraag en twee vervolgafspraken. Voeg een passende zin toe voor het geval het team nog niet kan beslissen.

Voorbeeldantwoord

“Willen we de startkaart op 5 en 12 november als kleine proef laten voorbereiden? Bij akkoord spreken we af wie eigenaar is en wanneer we evalueren. Als er nog informatie ontbreekt, laten we benoemen welke vraag eerst beantwoord moet worden en wie dat oppakt.”

De twee datums zijn voorgesteld, niet bevestigd (B4). Het slot laat ruimte voor een later besluit. Je vraagt geen algemene uitrol en deelt niemand zonder afspraak een taak toe.

18 / 60 · Inzicht

Vertel de chat wat voor presentatie je maakt

AI kan verschillende richtingen voorstellen. Je stuurt die hulp met een briefing: een korte beschrijving van de opdracht en de omstandigheden.

Van leverancieradvies naar jouw opdracht

OpenAI, de maker van ChatGPT, adviseert duidelijke instructies met voldoende context en daarna gericht bijsturen. Voor deze presentatie betekent dat: noem publiek, doel, tijd, bron en gewenst tussenproduct.

Lees OpenAI’s uitleg over duidelijke opdrachten (gecontroleerd: 2026-10-29)

Geef ook de grens aan

Vraag om voorstellen herkenbaar te houden en onbekende effecten niet in te vullen. Laat eerst een kernboodschap of structuur maken. Je hoeft niet in één opdracht het hele eindproduct te krijgen.

19 / 60 · Aan de slag

Maak een briefing die iemand anders kan gebruiken

Je hebt publiek, doel en kernboodschap bepaald. Zet die nu bij elkaar zodat een AI-chat of collega dezelfde opdracht begrijpt.

Opdracht: Schrijf een volledige briefing voor de vijfslidespresentatie. Gebruik de bron, vijf minuten spreektijd, twee minuten vragen en een duidelijke gevraagde output.

Voorbeeldantwoord

“Help mij een presentatie van vijf slides te ontwerpen voor zes fictieve collega’s van Werkplaats Noord. Ik spreek vijf minuten; daarna zijn twee minuten voor vragen. Doel: een besluit over de startkaartproef plus een eigenaar en evaluatieafspraak. Kern: klein testen om te ontdekken wat helpt en wat ontbreekt. Gebruik uitsluitend B1–B7 hieronder. Maak per slide één boodschap en leg de volgorde uit. Geef voorstellen als voorstellen weer; verzin geen tijdsbesparing, meningen of uitkomsten. Maak nog geen vormgeving. [Plak B1–B7.]”

Dit is bruikbaar omdat het niet alleen het onderwerp noemt, maar ook het gesprek en de grenzen van de informatie.

20 / 60 · Kennischeck

Welke kernboodschap past bij het bewijs?

De bron bevat terugkerende vragen en een voorstel voor een proef, maar nog geen resultaten van die proef.

Welke boodschap past het best?

  1. De startkaart heeft bewezen dat vrijwilligers sneller zelfstandig werken.
  2. Iedere collega wil het mondelinge welkom afschaffen.
  3. We kunnen klein testen welke praktische informatie op een startkaart bruikbaar is.

Antwoord: C. De derde zin maakt van het voorstel een leerbare volgende stap. De andere zinnen voegen effecten of meningen toe die niet in de bron staan. Een uitnodigend verhaal hoeft niet stelliger te zijn dan de informatie toelaat.

21 / 60 · Inzicht

Bouw de volgorde vanuit de vragen van je publiek

Een verhaallijn is de route die de luisteraar door je idee volgt. De volgorde hoeft niet dezelfde te zijn als de volgorde waarin jij de informatie verzamelde.

Vijf vragen als vertrekpunt

Wat stel je voor? Waarom is dit de moeite waard om te bespreken? Wat houdt het concreet in? Hoe willen we het proberen? Wat vraag je van ons? Deze vragen kunnen de vijf stappen van je presentatie worden.

Geen verplichte formule

Dit is een werkbare route voor deze korte besluitpresentatie, geen universele regel voor iedere lezing. Bij een instructie of terugblik kan een andere volgorde beter passen.

22 / 60 · Voorbeeld

Zie hoe één voorstel een verhaal wordt

Voor Werkplaats Noord kiezen we een voorstelgerichte opening. Het publiek hoort eerst waarover het gesprek gaat en krijgt daarna de onderbouwing.

De gekozen route

1. Probeer een startkaart op twee ochtenden. 2. Bij tien starts kwamen praktische vragen terug. 3. Eén kaart wijst naar materiaal en het eerste aanspreekpunt. 4. Test op 5 en 12 november en noteer wat nog ontbreekt. 5. Spreek eigenaar en evaluatie af vóór de proef.

Waarom deze volgorde werkt voor de oefening

De aanleiding krijgt betekenis omdat het voorstel al bekend is. Daarna wordt de kaart tastbaar, gevolgd door de proef en de benodigde afspraak. De titels vormen samen het geraamte van je verhaal.

23 / 60 · Aan de slag

Leg de kaartjes in een logische volgorde

Je hebt vijf losse inhoudskaartjes: besluitvraag, praktisch kaartvoorbeeld, voorstel, proefaanpak en aanleiding. Ze staan nog niet in presentatievolgorde.

Opdracht: Orden de vijf kaartjes voor deze casus. Schrijf bij twee overgangen één zin die verklaart waarom je naar de volgende stap gaat.

Voorbeeldantwoord

Volgorde: voorstel → aanleiding → praktisch kaartvoorbeeld → proefaanpak → besluitvraag. Overgang van aanleiding naar voorbeeld: “Die vragen geven ons een concreet startpunt: wat kan er op zo’n kaart staan?” Overgang van voorbeeld naar proef: “Dit is nog een eerste versie; daarom wil ik hem op twee ochtenden uitproberen.”

De overgangen leggen een verband, in plaats van alleen “volgende slide” te zeggen. Een andere volgorde kan verdedigbaar zijn, zolang het publiek de reden voor iedere stap kan volgen.

24 / 60 · Inzicht

Geef feiten en ideeën een herkenbare plek

Je presentatie gebruikt verschillende soorten uitspraken. Als je ze door elkaar haalt, kan een idee klinken als een al bewezen resultaat.

Drie soorten zinnen

Waarneming: bij tien starts kwamen zeven materiaalvragen voor (B2). Voorstel: we testen een startkaart op twee ochtenden (B4). Nog onbekend: of de kaart vragen vermindert of tijd bespaart (B3).

Laat de taal de status tonen

Gebruik “we zagen” alleen voor de vastgelegde waarneming. Gebruik “we stellen voor” bij de proef. Bij mogelijke effecten past “we willen onderzoeken”, niet “dit levert op”. Zo blijft het verhaal duidelijk zonder steeds te onderbreken met waarschuwingen.

25 / 60 · Aan de slag

Geef drie zinnen de juiste status

Een AI-concept bevat drie krachtige zinnen, maar niet iedere zin wordt door de bron gedragen.

Opdracht: Beoordeel: A “Zeven van de tien starts leverden een materiaalvraag op.” B “De kaart verlaagt het aantal vragen met de helft.” C “We stellen twee testochtenden voor.” Geef per zin de status en herstel waar nodig.

Voorbeeldantwoord

A is een waarneming uit de fictieve B2-bron. Formuleer eventueel “Bij zeven van de tien starts is een materiaalvraag genoteerd”, zodat duidelijk blijft wat er is vastgelegd. B is een onbewezen effectclaim. Herstel: “We willen tijdens de proef bekijken welke vragen nog terugkomen.” C is een voorstel uit B4 en past bij de huidige status.

Een energieke presentatie hoeft effecten niet vooruit te lopen. Je kunt juist overtuigend zijn over de reden om iets uit te proberen.

26 / 60 · Voorbeeld

Vertel wat de cijfers werkelijk betekenen

Je wilt de aanleiding visueel maken. De bron noemt zeven materiaalvragen en vijf vragen over de eerste taak bij tien starts. Deze getallen beschrijven twee categorieën, niet twee aparte groepen.

Een juiste uitleg

“Bij tien starts noteerden we zeven keer een materiaalvraag en vijf keer een vraag over de eerste taak. Eén start kan bij beide tellingen horen; de overlap is niet vastgelegd.”

Een onjuiste optelsom

Zeven plus vijf is twaalf categorie-registraties. Dat betekent niet dat er twaalf vrijwilligers waren of dat 120% van de mensen een probleem had. Voor deze presentatie zijn de twee losse tellingen duidelijk genoeg; een totaalcijfer voegt hier geen betrouwbare informatie toe.

27 / 60 · Aan de slag

Maak een cijferzin die je hardop kunt zeggen

Je wilt op slide twee twee getallen laten zien zonder je publiek een verkeerde conclusie te laten trekken.

Opdracht: Schrijf een slidetitel, twee korte labels en één mondelinge toelichting bij B2. Gebruik geen taartdiagram dat de twee categorieën optelt tot één geheel.

Voorbeeldantwoord

Titel: “Bij tien starts kwamen praktische vragen terug.” Labels: “Materiaal vinden: 7 van 10 starts” en “Eerste taak: 5 van 10 starts.” Mondeling: “Deze categorieën kunnen overlappen. Het zijn geen twaalf verschillende mensen en we weten nog niet of een kaart deze vragen verandert.”

Een eenvoudige vergelijking met twee apart gelabelde balken kan passen; losse tekstgetallen werken ook. De noemer tien en de overlapuitleg voorkomen dat de vorm meer zekerheid suggereert dan de bron geeft.

28 / 60 · Inzicht

Een sterk verhaal laat ook dingen weg

Je kunt meer vertellen dan je in vijf minuten nodig hebt. Selecteren betekent niet dat de weggelaten informatie onbelangrijk is; ze helpt alleen dit gesprek minder.

Gebruik een doelcheck

Vraag bij ieder onderdeel: helpt dit het team om de kleine proef te begrijpen of erover te beslissen? Een lange geschiedenis van de organisatie is voor deze opdracht niet nodig.

Bewaar nuttige achtergrond apart

Een detail dat alleen bij een vraag relevant is, kan in je notities of een eenvoudige bijlage. Je hoeft het niet vooraf op het scherm te zetten. Zo houd je ruimte voor de kern en voor reactie van het publiek.

29 / 60 · Aan de slag

Kies wat op het scherm moet komen

Je hebt vijf mogelijke onderdelen: de twee tellingen, een uitgebreide organisatietijdlijn, het kaartvoorbeeld, de besluitvraag en tien mogelijke kleuren voor de kaart.

Opdracht: Kies drie onderdelen voor het hoofdverhaal. Geef bij de andere twee aan waarom je ze nu weglaat of apart houdt.

Voorbeeldantwoord

In het hoofdverhaal: de twee tellingen als aanleiding, het kaartvoorbeeld om het voorstel concreet te maken en de besluitvraag voor de vervolgstap. De uitgebreide organisatietijdlijn laat ik weg: de uitgebreide geschiedenis helpt niet direct bij het besluit over deze kleine proef. De tien kleuren parkeer ik: vormgeving kan later kort gekozen worden, maar is nu geen besluitonderwerp.

Je kiest op basis van het doel, niet omdat achtergrond of kleur altijd onbelangrijk is. Voor een andere presentatie kan de selectie anders zijn.

30 / 60 · Kennischeck

Welke cijferuitleg houdt de betekenis intact?

Je wilt de twee categorieën uit B2 op een slide zetten.

Welke formulering is verantwoord binnen deze fictieve casus?

  1. Twaalf vrijwilligers hadden problemen bij hun start.
  2. Bij tien starts waren er zeven materiaalvragen en vijf eerste-taakvragen; de categorieën kunnen overlappen.
  3. 120% van de vrijwilligers had hulp nodig.

Antwoord: B. De twee tellingen mogen naast elkaar staan, maar geven niet het aantal unieke mensen met een vraag. De overlap is onbekend. Een heldere presentatie bewaart dat onderscheid in tekst en beeld.

31 / 60 · Inzicht

Laat de slide helpen, niet alles overnemen

Een presentatieslide is niet hetzelfde als een volledige uitlegles. Het publiek kan kijken én luisteren. Geef die twee kanalen daarom een eigen functie.

Wat op de slide staat

Zet de kernboodschap en het noodzakelijke bewijs of voorbeeld zichtbaar neer. In deze oefening is één hoofdgedachte per slide een handige ontwerpkeuze, geen magisch maximum.

Wat jij erbij vertelt

Gebruik je spreeknotities voor context, verbanden en uitleg. De notities mogen uitgebreider zijn dan het scherm. Je hoeft niet ieder woord van je spreektekst op de slide te kopiëren.

32 / 60 · Voorbeeld

Bekijk dezelfde inhoud in twee vormen

Je werkt aan de slide over de proef. De luisteraar moet het voorstel snel kunnen overzien, terwijl jij de aanpak toelicht.

Op het scherm

Titel: “Test op twee ochtenden en verzamel gerichte feedback.” 5 en 12 november 2026 — voorgesteld. Vragen: materiaal gevonden? Aanspreekpunt voor de eerste taak duidelijk? Eigenaar en evaluatiemoment nog afspreken.

In je spreeknotitie

“We willen niet meteen alles veranderen. Ik stel twee ochtenden voor om de kaart in een echte start te proberen. Daarna vragen we gericht wat iemand kon vinden en wat onduidelijk bleef. We noteren aantallen en opmerkingen zonder namen. Wie dit voorbereidt en wanneer we de uitkomst bespreken, moeten we nog samen afspreken.”

33 / 60 · Aan de slag

Verplaats uitleg naar de juiste plek

Je conceptslide bevat een hele alinea over de proef. Je wilt de informatie niet verliezen, maar het scherm wel rustiger maken.

Opdracht: Maak van het voorbeeld uit de vorige slide een schermversie met een titel en maximaal drie korte regels. Schrijf daarnaast twee spreekzinnen die uitleg toevoegen, zonder de regels letterlijk te herhalen.

Voorbeeldantwoord

Scherm: “Een kleine proef, vóór een groter besluit” • Twee voorgestelde ochtenden: 5 en 12 november. • Vraag naar materiaal en eerste aanspreekpunt. • Spreek eigenaar en evaluatie af.

Spreekzinnen: “We weten nog niet wat de kaart oplevert; juist daarom beginnen we beperkt. De feedback moet ons helpen zien welke informatie ontbreekt, niet alleen of de kaart er mooi uitziet.”

Het scherm toont de structuur. Je stem verbindt die keuzes aan het leerdoel van de proef. Het maximum van drie regels is hier een oefenbeperking, geen wet voor iedere slide.

34 / 60 · Inzicht

Schrijf titels als betekenisvolle zinnen

Een titel als “Resultaten” of “Achtergrond” vertelt welk vakje je opent. Een inhoudelijke titel kan de belangrijkste gedachte al overbrengen.

Van label naar boodschap

“Aanleiding” wordt bijvoorbeeld “Bij tien starts kwamen praktische vragen terug”. “Planning” wordt “Twee testochtenden maken de proef klein”.

Niet stelliger dan je bron

Een titel mag helder en uitnodigend zijn. Maak er geen succesclaim van. “De kaart lost het op” gaat verder dan de bron; “De kaart maakt startinformatie zichtbaar” beschrijft wat je wilt ontwerpen.

35 / 60 · Aan de slag

Geef twee neutrale koppen inhoud

Je presentatie heeft nog de titels “Kaart” en “Conclusie”. De luisteraar moet nu wachten tot jij uitlegt waarom die slides er zijn.

Opdracht: Herschrijf beide titels voor Werkplaats Noord. Zorg dat de eerste de kaart begrijpelijk maakt en de tweede naar de gevraagde afspraak wijst.

Voorbeeldantwoord

“Kaart” wordt: “Eén kaart wijst naar materiaal en het eerste aanspreekpunt.” “Conclusie” wordt: “Spreek eigenaar en evaluatie af vóór de proef.”

De eerste titel zegt wat het voorstel inhoudt, zonder te claimen dat iedere vraag verdwijnt. De tweede maakt de gewenste vervolgstap zichtbaar. Je hoeft niet altijd een lange zin te gebruiken; het belangrijkste is dat de titel inhoud draagt en overeenkomt met wat je eronder laat zien.

36 / 60 · Voorbeeld

Een eenvoudig schema kan meer uitleggen dan een sfeerbeeld

Je wilt slide drie een beeld geven. Je kunt een vrolijke foto van een werkplaats gebruiken, maar die legt nog niet uit wat op de startkaart komt.

Een passend uitlegbeeld

Teken een kaart met twee duidelijk gelabelde onderdelen: “Materiaal: kast B” en “Eerste taak: vraag de coördinator van deze ochtend”. De pijlen of vakken laten zien welke twee routes een starter kan volgen.

Wanneer een sfeerbeeld wel past

Een sfeerbeeld kan een opening ondersteunen, maar mag niet als bewijs van echte deelnemers of resultaten worden gepresenteerd. Kies het omdat het een functie heeft, niet alleen om een leeg vlak op te vullen.

37 / 60 · Aan de slag

Beschrijf een beeld dat iets uitlegt

Je wilt een schets laten maken voor slide drie. Een vormgever, collega of AI-beeldtool moet begrijpen wat het beeld moet verduidelijken.

Opdracht: Schrijf een beeldbriefing met inhoud, labels, functie en één beperking. Voeg een korte tekst toe die de betekenis ook zonder het beeld uitlegt.

Voorbeeldantwoord

Beeldbriefing: “Maak een eenvoudige fictieve startkaart met twee duidelijk gescheiden vakken. Vak 1: Materiaal — kast B. Vak 2: Eerste taak — vraag de coördinator van deze ochtend. Gebruik rustige vormen en goed leesbare tekst. Het beeld laat twee informatievragen zien; voeg geen logo, echte personen, extra taak of succespercentage toe.” Alternatieve uitleg: “De kaart vertelt waar algemeen materiaal ligt en bij wie een starter naar de eerste taak kan vragen.”

Controleer na het maken alle labels. Een aantrekkelijk beeld met een onjuiste kastletter helpt de luisteraar niet.

38 / 60 · Inzicht

Maak de informatie ook zonder perfecte omstandigheden begrijpelijk

Je weet niet of iedereen vooraan zit of ieder detail goed kan zien. Ontwerp daarom een versie die niet alleen op jouw eigen scherm prettig oogt.

Wat Microsoft hierover uitlegt

Microsoft, de maker van PowerPoint, beschrijft onder meer duidelijke slidetitels, voldoende contrast, leesvolgorde en alternatieve tekst bij beelden. Ook kleur alleen moet niet de betekenis dragen. Dat zijn bruikbare controlepunten voor je eigen slides.

Lees Microsofts uitleg over toegankelijke presentaties (gecontroleerd: 2026-10-29)

Controleer jouw echte weergave

Bekijk je slide op het scherm waarop je hem gaat gebruiken en laat iemand de kern aanwijzen. Is tekst te klein, maak dan minder informatie tegelijk zichtbaar. Geef belangrijke beeldinformatie ook in woorden. Een automatische controle is een hulpmiddel, geen volledige gebruikstest.

39 / 60 · Aan de slag

Verbeter een slide die vooral mooi lijkt

Een concept heeft lichtgrijze tekst op wit, een rood en groen vak zonder labels en een afbeelding waarin alle uitleg als kleine tekst is ingebakken.

Opdracht: Noem drie gerichte verbeteringen en schrijf de labels die je voor de twee vakken zou gebruiken. Beoordeel het ontwerp op begrijpelijkheid, niet op jouw favoriete kleur.

Voorbeeldantwoord

1. Kies een duidelijker tekst-achtergrondcontrast en controleer de echte weergave. 2. Geef de vakken tekstlabels, bijvoorbeeld “Al bekend” en “Nog afspreken”, zodat kleur niet de enige aanwijzing is. 3. Zet de belangrijke uitleg ook als gewone tekst op de slide of in een toegankelijke begeleidende versie; maak het beeld eenvoudiger.

Voor Werkplaats Noord kan “Al bekend” de inhoud van de kaart tonen en “Nog afspreken” de eigenaar/evaluatie. De labels moeten bij de inhoud passen; rood betekent hier niet automatisch “fout”.

40 / 60 · Kennischeck

Welke slide helpt de spreker het meest?

Je wilt vertellen hoe de kaartproef eruitziet en hebt een beperkte spreektijd.

Welke aanpak past het best bij deze oefening?

  1. De volledige spreektekst klein op één slide zetten.
  2. Een heldere kern, enkele noodzakelijke gegevens en mondelinge uitleg met verbanden.
  3. Alle voorwaarden weglaten zodat het verhaal sterker klinkt.

Antwoord: B. De slide ondersteunt de hoofdgedachte en de spreker voegt uitleg toe. Klein gedrukte spreektekst is lastig te volgen. Voorwaarden en onzekerheden verdwijnen niet omdat je het scherm rustiger maakt; ze krijgen een passende plek in de uitleg.

41 / 60 · Inzicht

Schrijf om te spreken, niet om voor te lezen

Spreeknotities zijn een geheugensteun voor jou. Ze moeten de uitleg op gang helpen, niet ieder zinsritme vastzetten.

Drie onderdelen per notitie

Begin met de boodschap van de slide. Noteer daarna het voorbeeld of bewijs dat je noemt. Sluit af met een overgang naar de volgende stap. Dat maakt de notitie een klein spreekpad.

Gebruik gewone gesproken taal

“We willen dit op twee ochtenden proberen” klinkt directer dan “de implementatie zal gefaseerd plaatsvinden”. Lees hardop om te horen welke woorden je zelf echt zou gebruiken.

Begin met je publiek en de gewenste keuze. In de fictieve startkaartcasus volgen vijf slides: voorstel, aanleiding, aanpak, proef en keuze. Zet de kern op de slide en de toelichting in sprekernotities. Oefen vijf minuten verhaal hardop en houd twee minuten vragen apart; de proef is nog geen bewezen resultaat.

42 / 60 · Voorbeeld

Leg de cijfers uit zonder ze groter te maken

Bij slide twee staat de titel “Bij tien starts kwamen praktische vragen terug”. Je wilt niet alleen de twee getallen oplezen.

Een mogelijke spreeknotitie

“We hebben bij tien starts genoteerd welke praktische vragen terugkwamen. Zeven keer ging het over materiaal, vijf keer over de eerste taak. Die tellingen kunnen overlappen. Ze bewijzen niet dat een kaart het probleem oplost, maar geven ons wel twee concrete onderwerpen om op de kaart te zetten.”

Een natuurlijke overgang

“Laten we daarom bekijken hoe zo’n kaart eruit zou kunnen zien.” Met die zin maak je de stap van aanleiding naar voorbeeld begrijpelijk.

43 / 60 · Aan de slag

Maak een notitie die meer doet dan herhalen

Je werkt aan slide drie, over de kaart met materiaal en eerste aanspreekpunt. De twee labels staan al op het scherm.

Opdracht: Schrijf een spreeknotitie van drie tot vijf zinnen. Leg uit waarom de kaart naar de coördinator verwijst en sluit af met een overgang naar de proef.

Voorbeeldantwoord

“De kaart hoeft niet alle werkzaamheden uit te leggen. Hij geeft een starter twee praktische aanknopingspunten: waar ligt algemeen materiaal en aan wie vraag je wat je eerst gaat doen? De taak kan per ochtend verschillen, daarom verwijst de kaart naar de coördinator en schrijft hij niet zelf een taak voor. Dit is nog een eerste versie. Op twee ochtenden kunnen we bekijken welke informatie ontbreekt.”

De notitie voegt een reden toe die niet uit alleen de labels blijkt. Je hoeft deze tekst niet woordelijk te leren; houd boodschap, reden en overgang vast.

44 / 60 · Inzicht

Plan de minuten voordat je sneller gaat praten

Een presentatie van vijf minuten heeft niet automatisch één minuut per slide. Sommige stappen vragen meer uitleg dan andere.

Een werkbaar spreekschema

Slide 1 voorstel: 30 seconden. Slide 2 aanleiding: 60. Slide 3 kaartvoorbeeld: 75. Slide 4 proefaanpak: 75. Slide 5 besluitvraag: 60. Samen 300 seconden, dus vijf minuten. De twee minuten vragen staan hier los van.

Een planning is nog geen meting

Dit schema is een startverdeling. Alleen een repetitie laat zien hoe lang jouw verhaal werkelijk duurt. Als je uitloopt, verklein of verduidelijk dan de inhoud; spreek niet simpelweg steeds sneller.

45 / 60 · Aan de slag

Maak ruimte zonder de vragen op te eten

Bij je eerste repetitie duren de vijf onderdelen 40, 80, 90, 70 en 60 seconden. De ruimte voor vragen moet twee minuten blijven.

Opdracht: Bereken de totale spreektijd en hoeveel je moet inkorten om binnen vijf minuten te blijven. Kies twee of drie inhoudelijke ingrepen die samen die ruimte kunnen maken; presenteer die winst als een nieuwe te testen planning.

Voorbeeldantwoord

40 + 80 + 90 + 70 + 60 = 340 seconden: 5 minuten en 40 seconden. Je moet 40 seconden uit de spreektijd halen; de twee minuten vragen zijn geen reserve. Nieuwe planning: opening van 40 naar 30 seconden door één inleidende zijzin weg te laten; aanleiding van 80 naar 60 door de twee tellingen in één uitleg te combineren; kaartvoorbeeld van 90 naar 80 door een herhaald detail te schrappen. Dat is 10 + 20 + 10 = 40 seconden.

De nieuwe planning is 300 seconden. Dit bewijst nog niet dat je repetitie precies zo uitkomt: spreek opnieuw hardop en meet. De ingrepen veranderen niet de bronfeiten of besluitvraag.

46 / 60 · Voorbeeld

Laat een oefenpartner kritisch meedenken

Een AI-chat kan mogelijke publieksvragen voorstellen. Dat is handig om blinde vlekken te vinden, maar de chat weet niet welke vraag jouw echte collega straks stelt.

Een afgebakende oefenopdracht

Vraag: “Speel een collega die het startkaartvoorstel probeert te begrijpen. Stel één vraag tegelijk op basis van B1–B7. Wacht op mijn antwoord. Let op werkdruk, inhoud en evaluatie, zonder nieuwe feiten aan de casus toe te voegen.”

Wat je met de vragen doet

Gebruik ze om je antwoord te oefenen en te merken waar informatie ontbreekt. Je hoeft niet ieder mogelijk bezwaar vooraf met een extra slide te beantwoorden. Soms is een korte, eerlijke mondelinge reactie genoeg.

47 / 60 · Aan de slag

Oefen een vraag waarop je nog geen volledig antwoord hebt

Een fictieve collega vraagt: “Hoeveel tijd gaat dit ons besparen?” De bron bevat geen meting van tijdverlies of tijdwinst.

Opdracht: Schrijf een antwoord dat de vraag serieus neemt, de ontbrekende informatie benoemt en teruggaat naar wat de proef wel kan opleveren. Voeg geen zelfbedacht percentage toe.

Voorbeeldantwoord

“Dat weten we nog niet; we hebben geen tijdmeting die daar een betrouwbare uitspraak over mogelijk maakt. Mijn voorstel is eerst te bekijken of de kaart de twee praktische informatievragen voldoende ondersteunt en wat nog ontbreekt. Als tijdsbesparing voor ons een beslissend criterium is, moeten we vooraf afspreken hoe we die op een passende manier zouden meten.”

Dit antwoord ontwijkt de vraag niet. Je maakt duidelijk waar het bewijs ophoudt en welke aanvullende afspraak nodig zou zijn. Die extra meting is een bespreekpunt, niet iets wat al in B6 is afgesproken.

48 / 60 · Inzicht

Vraag feedback op wat je wilt verbeteren

“Was het goed?” levert vaak een vriendelijk maar weinig bruikbaar antwoord op. Een gerichte vraag maakt het makkelijker om je presentatie te verbeteren.

Vraag de luisteraar iets terug te vertellen

Laat een oefenpartner in eigen woorden zeggen wat het voorstel is en welke afspraak je vraagt. Als dat niet overeenkomt met jouw bedoeling, onderzoek dan waar je verhaal onduidelijk werd.

Maak feedback klein genoeg om te gebruiken

Vraag bijvoorbeeld of het verschil tussen voorstel en resultaat duidelijk bleef, of de cijferuitleg te volgen was en of het slot concreet genoeg was. Verander daarna gericht één onderdeel en test dat opnieuw.

49 / 60 · Aan de slag

Maak een proefronde die je echt kunt uitvoeren

Je hebt nu een eerste vijfslidesversie. Een korte repetitie kan meer opleveren dan nog tien keer om een mooiere tekst vragen.

Opdracht: Maak een repetitieplan met hulpmiddel, tijdmeting, drie feedbackvragen en één regel voor wat je na afloop verandert. Het plan mag geen betaalde tool vereisen.

Voorbeeldantwoord

Plan: ik spreek mijn vijf slides hardop uit en gebruik een gewone timer. Ik noteer de tijd per onderdeel en houd de twee minuten vragen apart. Een collega luistert mee; zonder collega neem ik mijn eigen spreekpunten direct na afloop door. Vragen: 1. Wat is volgens jou het voorstel? 2. Welke informatie ondersteunt het en wat is nog onbekend? 3. Welke afspraak vraag ik aan het einde? Na afloop kies ik één probleem, bijvoorbeeld een onduidelijke overgang, en herstel dat eerst. Daarna herhaal ik de betreffende passage.

Een prettige stem alleen is niet het doel: de luisteraar moet het verhaal kunnen volgen en de vervolgstap herkennen.

50 / 60 · Kennischeck

Wat doe je met een te lange proefronde?

Je verhaal duurt 5 minuten 40, terwijl vijf minuten voor de presentatie beschikbaar zijn en daarna twee minuten voor vragen.

Welke aanpak past het best?

  1. Sneller praten en de vragen overslaan.
  2. De inhoud gericht verkleinen, opnieuw hardop oefenen en de vraagtijd behouden.
  3. AI laten zeggen dat je presentatie vijf minuten duurt.

Antwoord: B. Een tekstlabel of schatting verandert de werkelijk gemeten spreektijd niet. Gericht kiezen en opnieuw oefenen geeft bruikbare informatie. De afgesproken vraagtijd hoort bij het gesprek, niet bij een overschot aan slides.

51 / 60 · Inzicht

Maak een pakket dat ook morgen nog duidelijk is

Je gaat de losse onderdelen nu combineren. Een goed pakket helpt niet alleen tijdens het spreken, maar ook bij de controle vooraf.

Wat je oplevert

Vijf slides met titel en kerninhoud; per slide een beeldkeuze en spreeknotitie; een tijdverdeling; de fictieve bron B1–B7; en een korte controlelijst. Je hoeft geen werkelijk PowerPointbestand te maken om deze leeropdracht af te ronden.

Welke versie geldt

Gebruik alleen B1–B7. Voorstellen blijven voorstellen. Noem geen goedgekeurde eigenaar, bewezen effect of ingevulde evaluatiedatum. De extra meetmogelijkheid uit een oefenantwoord is geen automatisch toegevoegd besluit.

52 / 60 · Voorbeeld

Beoordeel het verhaal én de onderdelen

Je kunt een presentatie op meerdere manieren controleren. Een mooi uiterlijk is één aspect; het is niet genoeg om de inhoud betrouwbaar en bruikbaar te maken.

Vier vragen voor de eindcontrole

1. Doel: is duidelijk wat je van het team vraagt? 2. Bron: zijn cijfers, datums en status terug te vinden in B1–B7? 3. Samenhang: dragen de vijf slides dezelfde kernboodschap? 4. Gebruik: zijn schermtekst, uitleg en tijdverdeling praktisch te volgen?

Waarom geen AI-rapportcijfer

Je kunt AI vragen mogelijke zwakke plekken aan te wijzen. Een zelfgegeven score is geen bewijs dat het pakket klopt. Controleer de concrete passages en neem zelf de beslissingen over de eindversie.

53 / 60 · Aan de slag

Vind de fouten in een overtuigend slot

Een conceptslot luidt: “De succesvolle proef bewijst dat we de helft minder vragen krijgen. Lina voert de kaart vanaf 5 november overal in. We bespreken de resultaten later wel.”

Opdracht: Benoem vier problemen met deze tekst en schrijf een herstelversie die past bij B1–B7.

Voorbeeldantwoord

Problemen: 1. De proef heeft nog niet plaatsgevonden en is nog niet goedgekeurd. 2. Halvering van vragen is niet gemeten. 3. Een eigenaar met de naam Lina is niet in de bron afgesproken. 4. Overal invoeren gaat verder dan de twee voorgestelde ochtenden; een evaluatieafspraak blijft bovendien ontbreken. Herstel: “Willen we een startkaartproef op 5 en 12 november laten voorbereiden? Bij akkoord spreken we af wie eigenaar wordt en wanneer we de uitkomsten bespreken. Daarna bepalen we of en hoe we verdergaan.”

De herstelversie bewaart de uitnodiging tot actie, zonder voortgang of resultaten te verzinnen.

54 / 60 · Inzicht

De presentatie hoeft niet in een nieuwe tool te ontstaan

Je verhaal kan eerst als vijf tekstblokken op papier staan. Dat maakt het makkelijker om de inhoud te beoordelen voordat je aan knoppen en sjablonen denkt.

Kies een beschikbare vorm

Gebruik daarna de presentatietool die je al mag gebruiken. Een AI-presentatietool zoals Gamma is hooguit een optionele uitwerkingsroute; deze cursus vereist geen specifieke functie, exportmogelijkheid of abonnement. Als je een tool niet hebt, blijven de opdracht en het voorbeeld volledig bruikbaar.

Controleer na iedere omzetting

Bij het overzetten naar een sjabloon kunnen labels, regels en volgorde veranderen. Lees de uiteindelijke slides en notities opnieuw. Maak alleen een deelbare versie via de afspraken van je organisatie; een gegenereerd bestand is niet automatisch gepubliceerd of verstuurd.

55 / 60 · Aan de slag

Schrijf de vijf schermen van jouw presentatie

Werk nu het schermgedeelte uit voor het fictieve teamoverleg. De slides moeten samen een verhaal vormen en niet vijf losse samenvattingen zijn.

Opdracht: Maak vijf slides met een inhoudelijke titel, noodzakelijke schermtekst en een beeldkeuze. Gebruik B1–B7, maar zet niet de hele bron op het scherm. Geef aan welke onderdelen nog voorstellen zijn.

Voorbeeldantwoord

Slide 1 — “Probeer een startkaart op twee ochtenden.” Scherm: klein beginnen; praktisch leren; daarna beslissen. Beeld: eenvoudig kaarticoon naast twee kalenderblokken, duidelijk gelabeld als voorstel.

Slide 2 — “Bij tien starts kwamen praktische vragen terug.” Scherm: materiaal 7 van 10; eerste taak 5 van 10; categorieën kunnen overlappen. Beeld: twee afzonderlijk gelabelde balken op dezelfde 0–10-schaal, of twee tekstgetallen.

Slide 3 — “Eén kaart wijst naar materiaal en het eerste aanspreekpunt.” Scherm: materiaal→kast B; eerste taak→coördinator van die ochtend. Beeld: een eenvoudige kaart met die twee vakken.

Slide 4 — “Test op 5 en 12 november en noteer wat nog ontbreekt.” Scherm: voorgestelde ochtenden; na een start vragen naar materiaal en aanspreekpunt; aantallen/opmerkingen zonder namen. Beeld: twee stappen “proberen” en “bespreken”, geen resultaatgrafiek.

Slide 5 — “Spreek eigenaar en evaluatie af vóór de proef.” Scherm: akkoord met proef? wie bereidt voor? wanneer evalueren? Beeld: drie duidelijke tekstvragen; een afbeelding is niet nodig.

Controle: slide 2 bevat geen opgeteld aantal unieke mensen; slide 4 en 5 tonen een voorstel en open afspraken, geen afgerond plan.

56 / 60 · Voorbeeld

Controleer of de titels samen al iets vertellen

Lees alleen de vijf titels uit het voorbeeldantwoord. Je hoort een voorstel, een aanleiding, een concreet hulpmiddel, een proef en een besluitvraag.

Een snelle samenhangtest

Kun je tussen de titels “daarom”, “bijvoorbeeld” of “daarna” zeggen zonder een grote sprong te maken? Dan is de verbinding waarschijnlijk beter zichtbaar. Dit is een hulpmiddel om te lezen, geen garantie dat iedere luisteraar hetzelfde begrijpt.

Wat je nog toevoegt

De spreeknotities geven de redenen en nuances. Je hoeft niet alle vijf titels woordelijk op te lezen. Gebruik ze als houvast en ga daarna in gewone taal verder.

57 / 60 · Aan de slag

Maak het volledige spreekpakket bij de vijf slides

Je schermen zijn klaar. Voeg nu de mondelinge laag en de tijd toe, zodat je werkelijk kunt gaan oefenen. Het volgende voorbeeld is een spreekbasis, geen opdracht om exact dezelfde woorden of hetzelfde spreektempo te gebruiken.

Opdracht: Schrijf per slide een spreeknotitie en overgang. Verdeel vijf minuten spreektijd over de vijf slides en reserveer daarnaast twee minuten vragen. Sluit af met de besluitvraag en een passend antwoord op de vraag naar tijdwinst.

Voorbeeldantwoord

Slide 1 — 30 seconden. “Ik stel voor om een startkaart op twee ochtenden te proberen. We hoeven niet meteen overal iets in te voeren. Ik wil vandaag bespreken of we deze kleine proef willen voorbereiden en welke afspraken daarvoor nodig zijn.” Overgang: “Waarom is dit een nuttig onderwerp om te testen?”

Slide 2 — 60 seconden. “Bij tien starts in oktober zijn praktische vragen genoteerd. Zeven keer ging het om materiaal, vijf keer om de eerste taak. Een start kan bij beide tellingen horen. Deze cijfers zijn een aanleiding om twee onderwerpen op de kaart te zetten; ze bewijzen niet dat de kaart vragen vermindert.” Overgang: “Zo zou de inhoud eruit kunnen zien.”

Slide 3 — 75 seconden. “De eerste versie heeft twee onderdelen. Algemeen materiaal ligt in kast B. Voor de eerste taak verwijst de kaart naar de coördinator van die ochtend. We schrijven dus niet voor iedereen dezelfde taak op. De kaart ondersteunt het mondelinge welkom met een praktisch aanknopingspunt; we hebben niet besloten om dat welkom af te schaffen.” Overgang: “Dit ontwerp willen we eerst proberen.”

Slide 4 — 75 seconden. “Het voorstel is de ochtenden van 5 en 12 november 2026 te gebruiken. Na een start vragen we of iemand materiaal kon vinden en wist aan wie een taakvraag gesteld kon worden. We stellen voor alleen aantallen en opmerkingen zonder namen te noteren. De precieze uitkomst en benodigde werktijd weten we nog niet. Eigenaar en evaluatiemoment moeten we nog kiezen.” Overgang: “Daarvoor heb ik deze afspraken nodig.”

Slide 5 — 60 seconden. “Willen we deze kleine proef laten voorbereiden? Zo ja: wie wordt eigenaar en wanneer bespreken we de uitkomsten? Als we nog niet kunnen besluiten, laten we benoemen welke informatie ontbreekt en wie dat uitzoekt. Na de proef bepalen we pas of en hoe we verdergaan.”

Tijd: 30 + 60 + 75 + 75 + 60 = 300 seconden = 5 minuten. Daarna 120 seconden vragen; samen 420 seconden = 7 minuten. Dit zijn planningsvakken, niet de gemeten duur van de bovenstaande tekst. Vul de uitleg natuurlijk in, neem korte kijkpauzes bij de beelden en meet bij repetitie; maak het verhaal niet kunstmatig langer om ieder vak te vullen.

Vraag over tijdwinst: “Die is niet gemeten. De voorgestelde proef kijkt eerst welke startinformatie bruikbaar is. Als tijdwinst voor ons belangrijk is, moeten we afspreken hoe we dat aanvullend onderzoeken.”

58 / 60 · Inzicht

Bewaar een versie die je kunt uitleggen

Als je blijft herschrijven zonder versies te bewaren, kun je goede keuzes kwijtraken. Maak daarom een herkenbare eindversie en noteer wat je nog wilt testen.

Een eenvoudige opleverregel

Noem het bestand bijvoorbeeld “Startkaartvoorstel — oefenversie 1”. Bewaar de bron en spreeknotities erbij. Schrijf in je eigen controlelijst welke onderdelen je hebt nagekeken en wat nog een open vraag is.

Wat nog geen afronding is

Een export of mooie opmaak betekent niet dat je de presentatie al hebt gegeven of dat de proef is goedgekeurd. Laat de status passen bij wat werkelijk gebeurd is: ontworpen, gerepeteerd, besproken of besloten.

59 / 60 · Aan de slag

Vertaal de aanpak naar één eigen spreekmoment

Je hebt een volledig fictief voorbeeld gemaakt. Kies nu een kleine toepassing uit je eigen werk, zonder vertrouwelijke inhoud in deze training te delen.

Opdracht: Maak een actieplan met publiek, doel, vijfstappenverhaal, een proefmoment en drie concrete controlepunten. Gebruik een algemene of fictieve situatie als je nog geen toegestane bron hebt.

Voorbeeldantwoord

Voorbeeld: “Ik leg aan drie collega’s een voorstel voor een eenvoudiger overdrachtsbriefje uit. Doel: samen één fictief voorbeeld proberen, niet direct een nieuw proces invoeren. Verhaal: voorstel→herkenbare aanleiding→voorbeeldbriefje→kleine proef→gevraagde afspraak. Voor mijn volgende teamoverleg oefen ik dit vijf minuten hardop met een timer.” Controlepunten: 1. Kan een luisteraar mijn gevraagde vervolgstap herhalen? 2. Is duidelijk wat feit, voorstel en onbekend is? 3. Passen schermtekst en spreeknotities binnen de gemeten tijd?

Begin met één concrete verbetering. Je hoeft niet al je presentaties opnieuw te bouwen. Voor meer diepgang kun je in de Academy verder met Beter prompten of Afbeeldingen maken met AI.

60 / 60 · Kennischeck

Wanneer is jouw presentatie klaar om te oefenen?

Je hebt vijf slides, notities en een bron. Je wilt bepalen of het pakket bruikbaar is voor een echte proefronde.

Welke combinatie geeft de beste basis?

  1. Een mooi sjabloon en een AI-score van 9 of hoger.
  2. Veel slides en een indrukwekkende belofte over tijdwinst.
  3. Een helder doel, bronkloppende inhoud, samenhangende slides, spreeknotities en een haalbaar te testen tijdplan.

Antwoord: C. De derde combinatie kun je daadwerkelijk controleren en oefenen. Een score of uiterlijk vervangt die controle niet. Na de repetitie gebruik je concrete feedback om gericht te verbeteren; een goed pakket is het begin van het spreekmoment, niet het bewijs van een genomen besluit.

Bronnen

Bijgewerkt: 2026-10-29. Erik van der Veen · erikvanderveen.nl